Stichting Oost-Europa Centrum.

Gevestigd te Tilburg. Met een historie van 25 jaar.

Honderden vrijwilligers, die zich hebben ingezet voor landen in Midden en Oost Europa.
Inmiddels al ruim 25 jaar.
Vooral gericht op humanitaire hulpverlening in een tijd, dat het ijzeren gordijn naar Polen mazen begon te vertonen en een massale hulpverleningsbereidheid van de bevolking, ook in Tilburg, om kanalisatie vroeg. Poolse militairen hadden bijgedragen aan de bevrijding van onze stad.

Sentimenten, die het goede in burgers naar boven brachten. Veel transporten met vooral tweedehandse kleding, die ingebracht werd door burgers in Tilburg, werden georganiseerd.

Het sturen van privé-pakketten werd gecoördineerd. Met de definitieve val van het ijzeren gordijn in 1989 trad een nieuwe periode in.

De overheden, vooral ook op gemeentelijk niveau, werden actief ondermeer in het aangaan van relaties met gemeenten in Oost-Europa landen.

In 1996 sloot de gemeente Tilburg een overeenkomst met de gemeente Lublin in Polen.
Zo ontstond de stedenband Tilburg-Lublin.

Voor de uitvoering ervan werd onder meer een werkgroep gevormd, waarin de Stichting Tilburg-Polen ging participeren met als resultaat, dat onze blik verruimd werd tot samenwerking.
Een voorbeeld is het Stop-project, waarin vrouwen, die door huiselijk geweld in de problemen komen centraal staan.

Ook nieuw was, dat opvangcentra in de regio betrokken werden bij de overdracht van kennis. Er ontstond samenwerking tussen scholen in Lublin en Tilburg.

Kortom: uitwisseling werd een nieuw middel om de solidariteit tot uitdrukking te brengen. Vervolgens constateerden we de volgende zaken:

a. Het inzicht groeide, dat eenzijdige hulpverlening vaak zelfs contraproductief werkt om duurzame ontwikkelingen in het doelland te stimuleren.

b.  

c. In de praktijk kwamen steeds meer individuele personen en groepen bij de stichting terecht, die advies vroegen over aangelegenheden, die met andere Oost-Europese landen te maken hadden dan Polen.

d.  

e. Ten slotte bleek, dat de voor Tilburg opgezette stichting regionaliseerde. Midden-Brabant werd meer en meer het werkgebied.

f.  

Dit was de aanleiding dat het bestuur van de Stichting Tilburg-Polen in 2004 besloot tot een statutenwijziging. Er werd een nieuwe naam gekozen:

Stichting Oost-Europa Centrum

Inhoudelijk werden de statuten daarom aan de nieuwe activiteiten en aangepast .

Door gebrek aan capaciteit in kwantitatieve zin is het uitwerken van de nieuwe koers in het begin langzaam op gang gekomen.

“Oog voor de toekomst” is opgenomen in het jubileumboek om nadrukkelijk aan te geven dat er naast historie zeer zeker een goede toekomst is voor het Oost Europa Centrum. Dit en de volgende hoofdstukken zijn afgeleid van de beleidsvisie, die voorziet in de leemte en die een basis vormt voor het beleid voor de komende jaren. In de volgende pagina’s zal op de visie inhoudelijk worden ingegaan.


2. Inhoud.

Om een goede positionering van onze stichting in Europa te formuleren is een aantal beschrijvingen, analyses en keuzes nodig.

Voor een goed begrip beginnen wij met het profiel van het OEC anno 2006 ( hoofdstuk 3).

Vervolgens besteden wij aandacht aan Europa in veel facetten (hoofdstuk 4). Daaruit resulteert een aantal wenselijke ontwikkelingen, vooral gericht op solidariteit tussen landen in West Europa en landen in Midden en Oost Europa.

In hoofdstuk 5 gaan wij nader in op mogelijke werkgebieden, die daar uit voortvloeien voor vormen van het particuliere initiatief zoals de Stichting Oost-Europa Centrum er één is. In hoofdstuk 6 schetsen wij de werkwijze, die wij in het algemeen willen gebruiken. In hoofdstuk 7 gaan wij in op de organisatorische consequenties en in hoofdstuk 8 op de financiën.

In de tekst formuleren we een aantal stellingen, dat mogelijk een leidraad kunnen zijn voor discussie. Deze stellingen staan ook centraal op de conferentie “het OEC in een veranderend Europa” op 27 oktober 2006.


3. Profiel van het huidige OEC.

Als u nu ons centrum aan de Goirkestraat in Tilburg binnen komt, dan zou u kunnen denken, dat er niet veel veranderd is sinds de kledinginzameling voor Polen.

Het eerste wat u ziet is een sorteerafdeling voor tweedehandse kleding, die nog steeds in grote hoeveelheden door mensen uit de stad en de regio wordt aangebracht. Direct daarachter bevindt zich onze winkel in tweedehandse goederen (inclusief kleding), deze wordt ingericht met goederen, die wij aangeboden krijgen.

Wij hebben deze winkel een naam gegeven en wel 't Oecske.

Het merendeel van onze vrijwilligers is doende met sorteer- en winkelactiviteiten. Niet zichtbaar is dat vooral de kleding een andere bestemming heeft gekregen. Enerzijds incidenteel nog bestemd voor hulpvragen die wij ontvangen uit ons werkgebied en voor de kledingafdeling in de winkel, maar het overgrote deel wordt verkocht aan de handel.

Zo blijven wij de bereidheid om goederen voor een goed doel bij ons aan te leveren met dankbaarheid aanvaarden. Anderzijds genereren wij geld om onze overige activiteiten te financieren.
Onze winkel dient een tweeledig doel. Ook in onze regio zijn er mensen, die het vanwege financiële omstandigheden een uitkomst vinden goede tweedehandse goederen te kunnen kopen tegen een lage prijs. Daarnaast komt de opbrengst van de winkel ook beschikbaar voor onze andere activiteiten.
De omzet van de winkel, samen met donaties en het gemeentelijke subsidie vormen ons werkbudget. Op de begane grond vindt u verder de kantine: het communicatiehart van
onze stichting. Hier wordt regelmatig koffie of thee gedronken door alle medewerkers gezamenlijk. Verjaardagen gevierd. Nieuws over de stichting uitgewisseld. Een goede teamsfeer gewaarborgd.

Via de trap naar boven vindt u de administratie zowel de financiële als de secretariële.
Een belangrijke ruimte is voorts een expositieruimte. Ten slotte vindt u daar ook de bestuursafdeling.
Het bestuur, met tot voor kort een accent op het dagelijkse bestuur heeft de dagelijkse leiding over de activiteiten van de stichting in zijn totaal, voert de projecten en activiteiten naar de doellanden uit en zet lijnen uit voor de toekomst.

Daarmee zijn we aangeland bij deze beleidsvisie.

Door uitbreiding en wisselingen in het bestuur is onlangs meer ruimte gekomen om ons fundamenteel te bezinnen op doelstelling en middelen. Het stuk, dat nu voor u ligt is daar een aanzet toe. Graag laten we het toetsen door specialisten, het gemeentebestuur van Tilburg en andere organisaties in onze regio, die activiteiten ondernemen naar landen in Midden en Oost Europa.

 
Dit profiel is niet compleet, als we geen melding maken van de professionele ondersteuning, die wij krijgen van het COS (Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking West en Midden Brabant).


4. Europa.


4.1. Geografisch.

Volgens een mythe uit de Griekse oudheid heeft de halfgodin Europa haar naam verleend aan ons continent.
Ontvoerd als zij werd door Zeus, die, geroerd door haar schoonheid, haar vermomd als stier ontvoerde naar het vaste land om aan de jaloezie van zijn echtgenote te ontkomen. Met deze mythe slaan wij een brug naar een cultuur historische toetssteen voor wat onder Europa wordt verstaan. Gebaseerd op de oud Griekse beschaving met als belangrijke elementen filosofie en staatsinrichting, de oud Romeinse beschaving vooral met wetgeving en het christendom met begrippen als naastenliefde en ontzag voor het leven is
er een Europese cultuur ontstaan, die uniek is in de wereld.

Onder Europa verstaan wij al die landen, wier historie min of meer gebaseerd is op boven genoemde grondslagen.
Daaronder valt in principe ook Rusland en blijft er twijfel over Turkije vanwege de belangrijke islamitische invloed in dat land. Het bovenstaande heeft tot op heden een praktische betekenis met uitzondering van Rusland, dat in de recente geschiedenis ver weg is gegroeid van het traditionele Europa.
Er zijn veel mensen, die van mening zijn, dat Europa juist vanwege deze gezamenlijke grondslag ook nu nog een unieke rol kan vervullen in het oplossen van wereldproblemen.

Op grond hier van poneren wij onze eerste stelling.


Stelling 1.

Vanwege haar cultuur historische achtergrond heeft Europa de potentie een unieke rol te vervullen op het wereldplatform en alleen al om die reden is samenwerking binnen Europa gewenst.
De eigen inbreng van Europa kan zijn: de ontwikkeling van democratie, de leer van de Trias politica, de mensenrechten en een sociaal zekerheidsstelsel.

 

4.2 Terug naar Europa na de Tweede Wereld Oorlog.

Met zevenmijlslaarzen pakken we de draad op bij Europa na de Tweede Wereld Oorlog. In de conferentie van Jalta (april 1945) werden tussen de geallieerden ( Rusland, Engeland en de Verenigde Staten) onder meer afspraken gemaakt over de invloedssferen binnen Europa.

In feite werd daar de basis gelegd voor het ontstaan van de Sovjet-Unie en voor het ontstaan van de koude oorlog en het ijzeren gordijn. Europa werd in tweeën gedeeld met enerzijds het communistische Rusland met zijn satellietstaten ( Midden en Oost Europa) en anderzijds het gematigd kapitalistische West Europa.
In West Europa kwam al snel na de Tweede Wereld Oorlog de idee tot stand om door samenwerking - vooral met West Duitsland - de veiligheid te bevorderen.

De EGKS ontstond vooral geïnspireerd door de Franse minister van financiën Schuman om de productie van kolen en staal Europees te reguleren. Vanuit de 6 EEG landen, zijnde België, Frankrijk, West Duitsland, Nederland, Luxemburg en Italië, verbonden vanaf 1 januari 1958, is via de EG in 1992 de uit 25 landen bestaande Europese Unie opgericht. De uitbreiding kon mede tot stand komen door het uiteen vallen van de Sovjet-Unie.

Waar in West Europa een veilige toekomst werd gezocht door samenwerking legde Rusland zijn totalitaire communistische systeem op aan de andere landen binnen zijn invloedsfeer.

Het ontstaan van de Sovjet-Unie werd een feit met als gevolg een periode van ca. 35 jaar van koude oorlog. In de landen die door Rusland overheerst werden en in Rusland zelf werd het particuliere initiatief onderdrukt: ruim dertig jaar lang.

Nog steeds kenmerken deze landen zich door een in geringe mate ontwikkeld maatschappelijk middenveld en een afwachtende houding van de bevolking. De vaak nog oudere generatie van machthebbers zijn tot op heden niet gebaat bij een bevolking, waarin initiatieven vanaf de basis gewaardeerd worden laat staan gestimuleerd.

Langzamerhand begon het ijzeren gordijn scheuren te vertonen. Opstanden in Hongarije, Tsjechië en Polen gingen vooraf aan de definitieve val in 1989. Europa stond open voor een nieuwe ordening.
Met het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië gepaard gaande met oorlog en vernielingen, ontstonden nieuwe staten die intern met grote problemen te kampen hebben. Ook die landen rekenen wij in principe tot onze doellanden.

 

4.3. De rol van het particuliere initiatief in West Europa naar landen in Midden en Oost Europa in hoofdlijnen.

 
Het klinkt misschien wat aanmatigend te beginnen met de rol van het particuliere initiatief in een open Europa. Toch is dat zeker in de tijd gezien niet onjuist. Waar overheden zich formeel gebonden weten aan bestaande afspraken, kan het particuliere initiatief zich een grotere vrijheid veroorloven.

Juist in de tijd voor de val van het ijzeren gordijn ontstonden talloze vormen van particulier initiatief om, als het even kon, de bevolking in landen achter het ijzeren gordijn te helpen met goederen en het betonen van solidariteit. Zo is het niet verwonderlijk, dat in 1981 de Stichting Tilburg-Polen werd opgericht en in 1996 de stedenband Tilburg-Lublin tot stand kwam. In tegenstelling tot landen in Midden en Oost Europa heeft zich in landen in West Europa een rijk geschakeerde civil society ontwikkeld, die tot op heden zorgt voor maatschappelijke cohesie, en aldus een pijler vormt voor de democratie.

De ontwikkeling van de civil organisation in Europese landen, waar die onvoldoende tot stand is gekomen, is mede voorwaarde voor de democratisering daar.

Op grond van deze analyse formuleren wij een tweede stelling.


Stelling2.
Een goed ontwikkelde civil society is onmisbaar voor
een volwaardige democratie.
Het particuliere initiatief in West Europese landen heeft
een primaire taak de civil society in landen, waar die minder ontwikkeld is, te helpen bevorderen.

 

In hoofdstuk 5. zullen wij deze taak verder uitwerken.


4.4. De rol van de overheden.


In het kader van de beleidsvisie beperken wij ons tot een aantal hoofdzaken. De Europese Unie, thans bestaande uit 25 lidstaten, stelt zich tot hoofddoel Europa economisch te versterken om zodoende een gelijkwaardige partner te blijven met andere economische eenheden zoals Noord-Amerika, en China en India in opkomst. Daarvan is een aantal belangrijke taken afgeleid zoals mededingingsrecht, educatie, milieu, vrije markten binnen Europa, consumentenbescherming, landbouwbeleid etc.
De thans plaats vindende discussie over hoever de invloed van Brussel moet reiken, laten we hier buiten beschouwing en ook de discussie over de organisatie van de Europese Unie, als zijnde te politiek gevoelig
.
Zou er al een impasse zijn in de ontwikkeling van de Unie, dan is deze geen aanleiding voor het particuliere initiatief zijn activiteiten op een laag pitje te zetten. Wij verwijzen daarvoor naar stelling 2.
De taak van het rijk en de provinciale overheden laten we hier buiten beschouwing. Met één uitzondering.
Beiden hebben een faciliterende rol naar het particuliere initiatief en brengen die ook in de praktijk.
We komen dan bij de gemeentelijke overheden. We constateren, dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten al geruime tijd aan de gemeenten adviseert in hun beleidsprogramma's aandacht te besteden aan mondiale
bewustwording, mag het zijn in dit verband aan Europese bewustwording.
Terzijde kunnen we het niet nalaten te constateren, dat de laatste tijd de gemeenten zich steeds meer gaan richten op Noord Zuid problematiek ten koste van de Oost West problematiek. Wij zijn daar niet gelukkig mee. Het elan van de tijd na het wegvallen van het ijzeren gordijn lijkt getemperd zonder dat concrete doelen zijn bereikt.

Sommige gemeentelijke relaties zijn alleen gericht op het tot uitdrukking brengen van solidariteit. Andere zijn ook gericht op daadwerkelijke hulpverlening en uitwisseling van kennis etc.

Voor onze stichting is de stedenband Tilburg-Lublin van groot belang. Door de gemeentebesturen van Lublin en Tilburg aangegaan in 1996 werd door het gemeentebestuur de uitvoering en uitwerking onder meer gedelegeerd aan een werkgroep, waarin onze stichting participeert. Aanvankelijk functioneerde de stedenband goed en werd een aantal succesvolle projecten geïnitieerd. Voor een overzicht daarvan zie bijlage 2.

De laatste jaren is er min of meer een impasse ingetreden voornamelijk omdat van Lublin zijde een afwachtende houding wordt ingenomen.

Wellicht, dat wij van onze kant onvoldoende duidelijk hebben gemaakt, dat samenwerking dient gebaseerd te zijn op wederzijdsheid en dat er dus een actieve houding van beide zijden vereist is.

 

4.5. Afronding van deze paragraaf.

In deze paragraaf hebben wij de achtergrond geschetst waarmee onze stichting een positionering wil kiezen voor het heden en de nabije toekomst. In de volgende paragraaf focussen we ons op die plaatsbepaling.


5. Doelstelling en aandachtsgebieden.

5.1. Doelstelling.


We hebben hierboven geconstateerd, dat het in een aantal Midden en Oost Europese landen ontbreekt aan een voldoende maatschappelijke cohesie (civil society), die nodig is voor een stabiele democratie. Juist het particuliere initiatief in West Europese landen kan stimulerend werken op de versterking ervan. Het maatschappelijke middenveld heeft nog een andere functie. Individuele talenten als organisatievermogen, creativiteit en leiderschap kunnen daarin tot ontwikkeling komen, Talenten, die nodig zijn voor ondernemen in economische zin. Zo levert ontwikkeling van het maatschappelijke middenveld ook indirect een bijdrage aan de zozeer gewenste versterking van de economie in deze landen.
Daarnaast achten wij het mogelijk
ook rechtstreeks de micro-economieën te versterken.
Wij formuleren onze doelstelling in de vorm van een stelling.


Stelling 3.

De stichting Oost-Europa Centrum stelt zich ten doel personen en organisaties in Midden en Oost Europa landen beter toe te rusten om te participeren in een moderne democratie op basis van uitwisseling, die ook een verrijkende invloed kan hebben op personen en organisaties in ons thuis gebied. Daarnaast willen wij mogelijkheden benutten om bestaande vormen van midden en kleinbedrijf in de doellanden bij te staan in hun ontwikkeling, door ze in contact te brengen met soortgelijke bedrijven uit ons thuisgebied, en nieuwe bedrijvigheid te helpen ontwikkelen.


5.2. Aandachtsgebieden.

Wij achten het zinvol uit de vele mogelijke aandachtsgebieden een keuze te maken. De keuze wordt bepaald op grond van de effectiviteit om aan de doelstelling bij te dragen. Als eerste willen wij noemen: sociaal maatschappelijke ontwikkeling in de zin van organisatie van belangenbehartiging, die kan bijdragen aan een balance of power en aldus een belangrijke bijdrage kan leveren aan de gewenste democratisering van de nationale samenlevingen.

Een tweede aandachtspunt, dat wij willen kiezen is de zorg. Zorg voor elkaar bevordert de maatschappelijke cohesie.

Onder zorg verstaan wij ondermeer burenhulp.

In micro zin kunnen wij veel leren van de samenlevingen in de doellanden. Zorg, die landsgrenzen overschrijdt betreft ook landen, die niet tot de EU behoren, bij de ontwikkelingen daarbinnen. Zorggebieden kunnen zijn: gezondheidszorg, kinderzorg, daklozenzorg, emancipatie van achtergestelde groepen zoals homoseksuelen, vrouwen in nood enz.

Een derde aandachtspunt is de cultuur in de zin van kunst. In moeilijke tijden blijkt opleving van de kunstwereld vaak een voorbode van herstel. Als uiting van creativiteit en zelfrespect verhoogt zij de weerbaarheid van bevolkingsgroepen en kan andere groepen inspireren. Wij kennen deze gang van zaken in onze eigen regio. In de jaren zestig geconfronteerd met een diepe economische malaise (grote werkloosheid en een laag gemiddeld inkomen) begon de opleving in de kunstsector. Vooral op het gebied van de lithografie en de jazz braken Tilburgse kunstenaars door tot het nationale kunstpodium. In een later stadium gevolgd door de popmuziek. Door een doortastend maar ook een gepast terughoudend, faciliterend beleid van het gemeentebestuur kon aldus creativiteit en zelfrespect tot maximale ontwikkeling komen. Deze eigenschappen zullen zeker een bijdrage hebben gevormd voor de in de zeventiger jaren ingezette economische opbloei van onze regio. Wij achten het een niet gewaagde conclusie, dat bevordering van de kunstsector in onze doellanden een soortgelijke functie kan vervullen.
Een vierde aandachtspunt is het onderwijs. Bevordering van een goed vooral basisonderwijs is een hoeksteen voor iedere samenleving. Daar wordt immers de grondslag gelegd voor de benutting van individuele talenten, die ieder op de meest
geëigende plaats een maximale bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de samenleving. Ook vervolg opleidingen zijn hiervoor van groot belang.
Ten slotte noemen wij als vijfde aandachtsgebied de micro-economie. Wij hebben niet de pretentie een bijdrage te kunnen leveren aan het zakelijk handelen van grote bedrijven. Zij beschikken over een expertise, die de onze, nu en in de toekomst, ver zal overstijgen. Wel kunnen wij een rol vervullen bij de ontwikkeling van het midden en kleinbedrijf. Zowel door het in contact brengen van soort gelijke bedrijven hier en in onze doellanden, als door het zelf initiëren van bedrijfjes
achten wij het mogelijk rechtstreeks een bijdrage te leveren aan de economische ontwikkeling van onze doellanden.
Samenvattend komen wij tot een conclusie in de vorm van de volgende stelling.


Stelling 4.

Speerpunten als sociaal maatschappelijke ontwikkeling, zorg, kunst, onderwijs en micro-economie zijn de meest effectieve werkgebieden om de doelstelling van onze stichting te realiseren.


6. Werkwijze.


6.1. Positie in onze regio.

De naam van onze stichting Oost-Europa Centrum klinkt pretentieus. Wij voelen ons echter niet meer dan al onze zusterorganisaties in de regio, die gelijke doelen nastreven. Wij zijn bereid tot alle vormen van samenwerking voorzover die binnen onze doelstelling vallen.


6.1.1. Materiële hulp.


Voor de verandering beginnen wij met projecten, die wij niet meer willen doen of op een andere manier willen gaan doen. Dat betreft vooral de directe hulpverlening met goederen (kleding etc), behoudens incidentele gevallen: zeg nooit "nooit".

In grote lijnen schetsen wij een werkwijze, die wel passend is binnen onze doelstelling. Waar behoefte is aan tweedehands kleding zoeken wij een ondernemer, die geïnteresseerd is in het opzetten van een winkel, waar hij tweedehands kleding kan verkopen. Onze stichting zou hem een kort lopend startkrediet kunnen verschaffen en hem tevens de mogelijkheid bieden om zijn handelswaar bij ons in te kopen. Wij achten het mogelijk, dat aldus nog een lage verkoopprijs kan ontstaan met daarbij inbegrepen een inkomen voor de ondernemer. Deze vorm van commerciële distributie voorkomt tevens de weerstand, die wij bespeuren om goederen om niet te krijgen. Hoewel dit systeem eenvoudig lijkt zitten er nog veel haken en ogen aan, die een grondige bestudering behoeven. Uitgangspunt zou wel kunnen zijn, dat de "winst", die onze stichting maakt in overleg met de ondernemer beschikbaar komt voor een sociaal doel in zijn/haar omgeving.

 
6.2. Werkwijzen gericht op de aandachtsgebieden.

Er zijn vele werkwijzen mogelijk om op een effectieve manier aan de realisering van onze doelstelling, op de aangegeven aandachtsgebieden, te werken. We zullen er een aantal noemen zonder het oogmerk uitputtend te zijn.


6.2.1. Werken in project vorm.

Om dit verhaal niet te abstract te maken beschrijven wij een mogelijk project, zoals dat in onze zienswijze past. Stel wij nemen ons voor samenwerking te bevorderen op het gebied van de kunst en wel schilderen door amateuristische en of zondagsschilders.

Wij willen dat doen door een expositie te realiseren, waarin zowel kunstenaars uit een doelregio als kunstenaars uit onze regio participeren. Wij gaan er bij dit model project van uit, dat er in beide regio's aanknopingspunten (organisaties) zijn die in het project willen participeren.

Het eerste wat we zouden doen, is de organisaties bij elkaar brengen en met hen samen het project uitwerken.
Dat zou kunnen door eerst een expositie te houden in beide regio's, waar kunstenaars hun werk inbrengen al of niet gebonden aan een bepaald thema.

Competente jury's beoordelen welke werken tot de gezamenlijke expositie worden toegelaten. De aldus tot stand gekomen expositie wordt in beide regio's op een goede locatie ingericht. De "prijs"voor de deelnemende kunstenaars zou kunnen bestaan uit een bezoek aan de andere regio, wanneer daar de expositie geopend wordt.

Het project kan pas worden uitgevoerd op basis van een begroting, waarvoor de dekking gegarandeerd is.
Zodoende brengen wij mensen en organisaties bij elkaar rond een concrete activiteit. Worden ontplooiing en wederzijds begrip bevorderd. Bezoekers komen in aanraking met een regio uit onze doellanden, die hun blik kan verruimen. Andere projecten zouden dezelfde elementen moeten bevatten.


6.2.2. Facilitering.

Nu al wordt er dikwijls een beroep op onze stichting gedaan ter verkrijging van informatie en advies. Wij achten het wenselijk onze mogelijkheden op dit gebied te verruimen. Daartoe is nodig een zo breed mogelijk netwerk rond onze stichting van personen, die bereid zijn hun kennis, informatie en ervaring op verzoek beschikbaar te stellen. In punt 7. zullen we daarop nader ingaan.

 
6.2.3. Netwerken.

 
In onze regio bestaat een hoeveelheid van netwerken tussen personen en organisaties, die bevorderend kunnen werken op de kwaliteit van activiteiten. In de doellanden zijn die er uiteraard ook en naarmate de ontwikkeling daar vordert zullen er steeds meer ontstaan. Waar nodig kan onze stichting deze netwerken met elkaar in contact brengen, zodat ze elkaar verrijken of ondersteunen bij hun ontwikkeling.

Ook op deze wijze kunnen wij bijdragen aan banden tussen mensen in de regio en mensen in onze doellanden, wat een belangrijke doelstelling is van onze stichting.


6.2.4. Afronding van dit punt.

Volgens onze statuten kunnen wij alle middelen benutten, die aan de realisering van onze doelstelling bijdragen. Dat vereist een toetsing vooraf en geeft tegelijkertijd ruimte om ons beleid nu en in de toekomst flexibel te houden, zodat wij kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen.

 
7. Organisatie.

7.1. Inzameling van kleding en goederen.

Het bovenstaande heeft een aantal gevolgen voor de organisatie van onze stichting.
Wat wij in ieder geval willen handhaven is de inzameling van kleding en goederen en onze winkel. Daarmee behouden wij een traditionele band met burgers uit de regio en genereren we geld voor financiering van onze activiteiten.

 
7.2. Vrijwilligers organisatie.

Uitgangspunt bij het verder ontwikkelen van onze organisatie is de keuze voor een louter vrijwilligers organisatie. Zouden wij professionele ondersteuning behoeven, dan willen we die van buiten betrekken.
Onze banden met het COS zijn goed en die willen wij voortzetten.


7.3. Verdere gevolgen.

Het bestuur dient qua samenstelling berekend te zijn op de taken van de stichting. In de afgelopen periode hebben we daar al aan gewerkt. Wellicht dat er nog een verdere aanpassing nodig is.
Onze administratie (zowel secretarieel als financieel) dient kwalitatief en kwantitatief gelijke tred te houden met het beroep, dat er op gedaan wordt. Wij hebben daarop geanticipeerd, hoewel nog niet voldoende.
Belangrijke aandachtspunten zijn daarbij het opstarten en bijhouden van een data base, fundraising en public relations.

Om onze entree bij personen en organisaties te vergemakkelijken zullen wij een comité van aanbeveling formeren. Een aantal personen van kaliber heeft al toegezegd daarin te zullen participeren.


Verder formeren wij ook een raad van advies, waarin deskundigen op verschillende terreinen worden samengebracht. Zij zullen de uitvoerenden met raad en daad zullen gaan bijstaan.

 
Ten slotte willen wij nog komen tot een organisatie van Vrienden van het Oost-Europa Centrum. Hun expertise willen wij registreren en er in voorkomend geval beroep op doen.

Met dit laatste voornemen slaan wij een brug naar de financiën.

 
8. Financiën.

Zoals voor iedereen geldt, kun je niet meer geld uitgeven dan je hebt. Wij voorzien, dat de omschakeling als boven geschetst extra middelen vereist. Ook structureel. Wij beramen, dat onze kostenstijging zo'n 20.000,00 euro zal bedragen. Wij zijn doende na te gaan, welke subsidieregelingen van overheidsorganisaties voor dekking daarvan in aanmerking komen. Ook betrekken wij particuliere fondsen in ons onderzoek. Wij zullen ook relevante bedrijven benaderen met de vraag om sponsoring contracten. Zoals boven gemeld zijn wij doende een club van vrienden van het Oost-Europa Centrum op te richten. De leden ervan vragen wij om een jaarlijkse bijdrage met als tegenprestatie toezending van een periodieke beschrijving van onze activiteiten.

Voor incidentele grotere uitgaven, zoals onze lustrumviering en meer speciaal het congres en projecten die veel geld vragen, willen wij ad hoc een beroep doen op soortgelijke inkomstenbronnen als boven omschreven. Fundraising zal daarom een belangrijke activiteit zijn in onze stichting. Deze taak zal op continue basis in onze organisatie moeten worden opgenomen.


9. Ten slotte.

Wij realiseren ons zeer wel, dat wij maar een relatief kleine regionale stichting zijn en zullen blijven, ondanks mogelijke uitbreiding van onze activiteiten. Naast ons bestaande aandachtgebied de regio Dublin, voorzien wij, dat wij er nog hoog uit twee of drie bij zullen kunnen nemen met de capaciteit, die wij kunnen op bouwen. Daarbij zal altijd gelden:

geen nieuwe activiteiten als de financiering ervan niet gewaarborgd is.